7/13

Jong geleerd
is later geletterd

KopGroep Bibliotheken zet zich op verschillende manieren in tegen laaggeletterdheid. Met het Taalhuis bijvoorbeeld, waar iedereen welkom is die moeite heeft met lezen en schrijven. In 2025 werden belangrijke stappen gemaakt richting de certificering van het Taalhuis. Ook liep er een pilot op Kindcentrum Schoter Duijn. Deze richtte zich op laaggeletterde ouders met jonge kinderen om zo de cyclus van intergenerationele laaggeletterdheid te doorbreken.

Marie-José Stobbe is Coördinator Basisvaardigheden Taal. Ze is heel blij dat de certificering binnen is. Die werd in 2026 toegekend door Certificeringsorganisatie Bibliotheekwerk, Cultuur en Taal (CBCT). Nu organiseert KopGroep Bibliotheken al jaren goed lopende Taalhuizen. Waarom was deze certificering nodig? ‘Ik zie het als een bouwsteen’, zegt Marie-José. ‘Den Helder had in 2016 het eerste Taalhuis. Daarna hebben we dat in de loop der jaren uitgebreid naar de andere gemeenten. Het werkte goed, maar dat willen we ook kunnen aantonen. Bijvoorbeeld aan de gemeente en samenwerkingspartners. Eigenlijk laat je zien dat je niet zomaar wat aan het doen bent.’

Wél voor je kind

Ondertussen was er genoeg ander werk te doen. De pilot ‘Voor jou en je kind’, bijvoorbeeld. Deze is ontsproten uit het brein van Marie-José. Ze vertelt: ‘Ik trek op het gebied van laaggeletterdheid veel op met de collega’s van Educatie en Vroege Voorschoolse Educatie. We richten ons daarbij op het doorbreken van generationele laaggeletterdheid. Stichting Lezen en Schrijven heeft een video ‘Het leven van Lisa’ die heel mooi laat zien hoe laaggeletterdheid van generatie op generatie doorwerkt en wat de gevolgen zijn.’ De gemeente Den Helder maakte extra geld vrij om laaggeletterdheid tegen te gaan. De vraag was hoe ze het zouden besteden. Marie-José: ‘40% van de beroepsbevolking is laaggeletterd. Daarvan heeft ruim een derde kinderen jonger dan 18 jaar. Ja, waar kun je dan het beste beginnen? Bovendien is het voor laaggeletterde ouders een enorme motivatie. Ze doen het niet per se voor zichzelf, maar wel voor hun kind. Dus toen de Schoter Duijn in de lucht kwam met een hulpvraag om ouders te ondersteunen, waren we eigenlijk heel blij. Eén en één is twee. Nu konden we aan de slag.’

Saskia Boekestein is brugfunctionaris van Schoter Duijn. Zij had de coördinerende rol binnen het kindcentrum om vrijwilligers te werven en in gesprek te gaan met ouders. Saskia vertelt: ‘We zien natuurlijk dat er leerlingen zijn met een taalachterstand en die werkt de rest van hun leven door. Het begint vaak thuis. We wilden dus heel graag iets ondernemen samen met de ouders.’

Nu is het niet echt makkelijk om die doelgroep te bereiken. ‘Veel ouders schamen zich ervoor, dus die melden zich niet vanzelf. Je hebt het als school ook vaak niet door. Zeker met een mobiele telefoon kunnen ouders een hoop verhullen. Ze spreken hun tekst in of gebruiken autocorrect. En we hebben het wel in de Kwieb-ouderapp gezet, maar laaggeletterde ouders lezen die niet altijd. Door ouders persoonlijk aan te spreken en vooral enthousiast te maken hebben we het eerste groepje kunnen vullen, maar ik denk dat we een hoop ouders nog niet hebben bereikt.’

Groene jas

Uiteindelijk is de pilot met zes ouders gestart. Marie-José: ‘En twee vrijwilligers. Rina en Rhea, echt toppers. Ze begonnen steeds eerst een half uur met ouders en kinderen. Samen knutselen, koekjes bakken, een spel… Daarna gingen de kinderen terug naar de klas en begon de bijeenkomst voor ouders.’

Rina Weterings, één van de genoemde toppers, vertelt: ‘Het was ontzettend leuk om dit met Rhea te doen. We hebben een training gevolgd en materialen tot onze beschikking gekregen om zes bijeenkomsten te vullen.’ De pilot richtte zich in de eerste ronde op ouders van het jonge kind. Binnenkort starten de bijeenkomsten voor kinderen vanaf 6 jaar. Rina: ‘Alles was nieuw en we hadden geen idee hoe het uit zou pakken, dus we zijn gewoon gaan uitproberen. Wat werkt wel en wat werkt niet, wat kunnen we bij deze groep overslaan? Waar is wel behoefte aan? Al met al denk ik dat we kunnen zeggen dat de eerste ronde geslaagd is.’ De anderen beamen dit. ‘Absoluut!’

Behalve voor samen lezen was er veel aandacht voor het gebruik van taal. Rina: ‘Als je bijvoorbeeld aan het knutselen bent kun je van alles benoemen. De kleuren van het papier bijvoorbeeld. Dat vergroot de woordenschat. Als je met je kind naar buiten gaat kun je zijn jas pakken of zeggen: “Pak je jas maar.” Als het regent zeg je: “Het regent. Doe je groene jas maar aan.” Spelenderwijs kun je de woordenschat enorm vergroten, maar dat is niet voor elke ouder vanzelfsprekend.’

Saskia: ‘We zijn in deze tijd ook minder met elkaar gaan praten. We zijn met onze mobiel bezig, laten kinderen even op de iPad. Vroeger had je dat niet en werd er onderling vanzelf meer uitgewisseld.’ Rina vult aan: ‘Ouders van nu moeten ook ontzettend veel ballen hooghouden. Dan kan ik me ook voorstellen dat bepaalde dingen erbij inschieten en al helemaal als er nog allerlei zorgen zijn. Als je je niet bewust bent van de gevolgen, is het in zo’n situatie wel heel moeilijk om met taal bezig te zijn. Dan pak je gauw zelf die groene jas.’
Saskia Boekestein en Rina Weterings

Verandering

Lindsay was één van de ouders die aansloot. Haar zoontje is 5. Ze herkent wel wat Saskia en Rina vertellen. ‘Ik heb het wel druk ja.’ Ze is alleenstaande moeder van twee kinderen. ‘Je bent eigenlijk steeds aan het schakelen tussen wat de een nodig heeft en wat de ander nodig heeft. Er is weinig tijd voor één op één aandacht. Daarom was de pilot ook leuk. Samen spelletjes doen of knutselen. Hij vond het elke keer jammer als Saskia hem weer kwam halen.’ Rina vult aan: ‘Dat hoorden we ook van anderen. Het was zo gezellig, zowel voor de ouders als de kinderen. En wat ook belangrijk is geweest, is dat er in de groep veel onderling vertrouwen was. De ouders durfden te delen over de dingen waar ze tegenaan liepen.’

Lindsay’s zoontje heeft vroeger veel oorontstekingen gehad waardoor hij niet goed kon horen. Als gevolg daarvan heeft hij moeite om bepaalde woorden uit te spreken. Hoewel Lindsay zelf niet per se moeite heeft met lezen en schrijven, heeft ze in de pilot veel geleerd om haar zoontje te helpen.
‘Als we buiten zijn, spelen we bijvoorbeeld ‘Ik zie, ik zie wat jij niet ziet’. Dat is een leuk spelletje, maar hij leert daar heel veel van. En als mijn jongste naar bed is, mag mijn zoontje kiezen wat we gaan doen. Dan kiest hij er vaak voor om een boekje te lezen, maar soms ook om over de dag te praten. We zijn ook heel anders gaan lezen. Ik lees niet meer gewoon het verhaaltje uit. We kijken naar de plaatjes en we praten over wat hij ziet.’

‘Weet je nog wat je zei toen je bij ons binnenkwam?’, vraagt Rina aan Lindsay. De vrouwen beginnen alle drie te lachen. ‘Het enige boek dat ik lees is Facebook’, zegt ze. Opnieuw een hoop hilariteit. ‘Maar inderdaad, dat is wel echt veranderd. Nu lezen we bijna elke dag.’